1. Bister. a. Roetbruin. b. Blaar. c. Kortaangebonden. d. Scherpe pen bevestigd in houten handvat. 2. Bors. a. Gezouten varkenskluifjes b. Bezemsteel. c. Tegendraads. d. Struikgewas. 3. Doloos. a. In ernstige staat van verwarring. b. Jachtluipaard. c. Opzettelijk begaan. d. Zoet. 4. Drijten. a. Blijven zeuren. b. De buik ontlasten. c. Het beslag mengen. d. Uiteendrijven. 5. Esbattement. a. Schorsing voor het leven. b. Elite-afdeling bij de cavalerie. c. Afranseling. d. Benaming voor een (grappig) toneelstuk bij de rederijkers. 6. Fontange. a. Knielkussen. b. Soort van hoog dameskapsel c. Meerstemmig gezang, waarbij sopraan en alt elkaar voortdurend afwisselen. d. Grondstof voor het bereiden van siroop. 7. Grofaal. a. Vanuit het zwaartepunt naar buiten. b. Zotskap. c. Zonder op details te letten. d. Soort van aal met stompe kop. 8. Jandoedel. a. Schertsend voor jenever. b. Onbehouwen manspersoon. c. Onervaren matroos. d. Kanjer. 9. Kalmaar. a. Woestijnbewoner. b. Kwakzalver. c. Tienarmige inktvis. d. Voorganger bij kerkdiensten. 10. Makko. a. Fijne katoensoort met geelachtige tint. b. Geslacht uit de familie der langstaartapen. c. De twee zwarte azen bij het omber- en jasspel. d. Vrijwillig. 11. Mastoc. a. Weeftechniek waarbij de draden geen aanknopingspunt lijken te hebben. b. Overmatig dikke man. c. Keeshond. d. Kleine, zeer aromatische sigaar. 12. Nulbak. a. Bak waaraan gestrafte zeelieden vroeger moesten eten. b. Wielrenner die de finish niet tijdig weet te halen. c. Bak waarin het cijferzetsel tijdelijk wordt opgeslagen. d. Onnozelaar. 13. Ameldonk. a. Rechtstreeks, zonder oponthoud. b. Witte vlierbes. c. Nergens heen. d. Droge stijfsel. 14. Avel. a. Klein vooral in de Maas levend visje. b. Houten of metalen ring waardoor het scheepstouw op zijn plaats wordt gehouden. c. Uitbouw op het podium waarin de souffleur zijn werk doet. d. De buit bij een inbraak of roof. 15. Bratser. a. Een der tandraderen in een gemaal. b. Schrokop. c. Straatloper. d. Onderdeel van de katapult. 16. Deunt a. Ter ziele. b. Landmaat van ¼ hectare. c. Voor de vuist weg. d. Regelmatig afgewerkte bundel rijshout. 17. Chaton. a. Inzeteenheid bij het roulettespel. b. Zijden strik. c. Aan beide uiteinden vergulde stok. d. Zetwijze waarbij de steen in pootjes of klauwen wordt vastgehouden. 18. Fatisch. a. Emotieloos berustend. b. De woordvormen in de zin betreffend. c. In strijd met de waarheid. d. Geweldig. 19. Gils. a. Op vrijen belust. b. Kroeg, herberg. c. Streng volgens de regels levend. d. Gesneden zeug. 20. Kaves a. Ernstig beschadigd. b. Woestijnratje. c. Bleek, niet gekookt bier. d. Ongeleide modderstroom.